Verhalen
Algemene
begraafplaats

Historisch verhaal

Wethouder A.G.A. Verstegen

Het monument voor A.G.A. Verstegen is het grootste monument in het Springerplantsoen op de begraafplaats. Het kan goed dat wanneer je het ziet, het je gelijk doet denken aan het Helden der Zee monument op het Helders Plein. Hoe dat komt? Beiden zijn ontworpen door de bekende architect P.L. Kramer. De Helderse courant van 1 mei 1937 schreef over dit bijzondere monument “Het gedenkteeken is geworden een massale zuil van baksteen, hetzelfde materiaal dus, waaruit het Helden der Zee-monument vervaardigd is. Aan weerszijden van genoemde zuil ziet men een tweetal ‘armpjes’ en het geheel is geworden een getuigenis van de grote ontvankelijkheid van Verstegen, een sprekende symboliek van zijn menschenliefde.” Jack Ambriola vertelt.

Wethouder A.G.A.Verstegen (1870-1936); vakbondsman en bestuurder

In het zogenaamde Springerplantsoen aan de noordoostzijde van de aloude begraafplaats (A-veld) staat een fraai van rode bakstenen gemetseld grafmonument voor A.G.A. Verstegen. Het is een ontwerp van de bekende architect P.L.Kramer. Deze Amsterdamse School architect was onder meer ontwerper van de Postbrug (1934), het reddingsmonument op het Helden der Zeeplein (1935) en het Bondsgebouw van de Matrozenbond (1914, verwoest in 1940). Alex Verstegen was een van de oprichters van de plaatselijke Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (1898) en het eerste socialistische raadslid en tenslotte wethouder in Den Helder (1917). A.G.A. Verstegen werd op 6 oktober 1870 op Texel geboren als zoon van een (Nederlands Hervormde) rijksambtenaar. Doordat zijn vader aan alcohol verslaafd was raakte het gezin in de problemen. Daardoor zocht de dertienjarige Alex na de lagere school zijn heil bij de Koninklijke Marine. Het leven daar echter was hard. Lange werktijden, slecht voedsel, onheuse bejegeningen door meerderen en een miniem loon. Vandaar dat de matroos 1e klasse Verstegen met een zestigtal collega’s in 1897 besloot tot oprichting van de Matrozenbond ‘Eendracht maakt Macht’. Later werd de naam gewijzigd in Algemene Bond voor Nederlandsche Marinematrozen. De matrozen waren overigens niet de enigen die tot een bond kwamen om hun belangen te

Koningin Wilhelmina onthulde in juni 1935 het mnument voor het Nederlandse Reddingwezen 

behartigen. Er was ook een bond voor korporaals en konstabels (‘Bellona’), korporaals en mariniers (‘Willem Joseph baron van Ghent’) en een voor Koningin Wilhelmina onthulde in juni 1935 het monument voor het Nederlandse Reddingwezen onderofficieren (‘Admiraal De Ruyter’). Ja, er kwam er tenslotte zelfs een voor officieren (1910). Uiteraard had iedere bond zijn eigen ‘clubblad’. Dat van de matrozenbond heette ‘Het Anker’. Het blad verscheen vanaf 6 april 1901 met Alex Verstegen als redactiesecretaris tegen een salaris van ƒ 10,- per week. Verstegen was toen al drie jaar oud-marineman. Hij had inmiddels de marine verlaten (1898) en was een koffiehuis begonnen aan de Westgracht. Daardoor had hij z’n handen vrij, want het blad werd door de marineleiding verboden. Sterker nog, de soms niet mis te verstane kritiek op de gang van zaken binnen de marine, gaf soms zelfs aanleiding tot strafvervolging. Vandaar ook dat het bestuur van de matrozenbond in juli 1903 besloot althans in naam het blad los te laten. Verstegen werd toen redacteur-uitgever. Alle leden van de bond werden automatisch ingeschreven als abonnee en een deel van de bondscontributie werd geboekt als abonnementsgeld. In 1910 was er een nogal geruchtmakende rechtszaak, toen de redacteur van ‘Het Anker’ in zijn blad enkele marineofficieren persoonlijk had aangevallen. 

 

A.G.A. Verstegen 

Smaadschrift 

Uit het dagblad van Helder en Hollands Noorderkwartier van vrijdag 18 februari 1910 blijkt dat de heren T.Hoven, kolonelcommandant van de ‘Hertog Hendrik’ en G.van Hulsteyn, luitenant-ter-zee 1e klasse aan boord van de ‘Piet Hein’, een klacht wegens smaadschrift hebben ingediend. Verstegen had infame beschuldigingen geuit ‘over de schandelijke wijze waarop de officier Van Hulsteyn optreedt en de verguizing van het recht door commandant Hoven’. Beklaagde bekende de artikelen in ‘Het Anker’ inderdaad zelf geschreven te hebben, maar niet met oogmerk ‘om de beide klagers te willen aanranden in hun eer en goeden naam’. Hij hoopte dat ‘zijn aanmerkingen de beide heren er toe zou leiden hun gedrag te wijzigen’. Hij had niet de opzet gehad te beledigen, maar het openbaar belang te dienen. Voor de rechtbank te Alkmaar was er niet alleen een groot aantal getuigen geweest die de door Verstegen beschreven grieven jegens deze officieren bevestigde, veel belangrijker nog was dat uit het getuigenverhoor bleek dat publiciteit wel degelijk helpt. ‘Sinds de feiten in de krant hebben gestaan, vloekt de heer Van Hulsteyn niet meer zo’. En wat kunnen de matrozen, en zeker de jongens van 16 of 17 jaar die in opleiding zijn, anders dan de publiciteit zoeken? Het was al heel moedig dat zo’n veertien marinematrozen ‘den zedelijken moed hebben gehad om (voor de rechtbank in Alkmaar) in het bijzijn van hun commandant alle onder ede te getuigen en vol te houden dat de feiten in de krant gebracht, waar zijn. Wat dat betekent zal duidelijk zijn als men bedenkt, dat die eenvoudige matrozen straks weer op hun schip terugkomen en weer moeten dienen onder dezelfde officieren. Dat is onder de militaire discipline en tucht nog heel wat anders, dan wanneer een werkman tegen zijn patroon moet komen getuigen’. De verdediger van A.G.A. Verstegen, Mr. M.Mendels vroeg zich voorts af of het ‘geen vergissing van het recht der mindere schepelingen is als de commandant straft zonder hen te horen’? Volgens het Militaire Wetboek mag er niet gevloekt en zeker geen ‘recht’ gesproken worden zonder iemand te horen. Officieren die zich aan deze regels niet storen helpen zo ‘door hun eigen handelingen het gezag naar de maan’. De verdediger eindigde zijn betoog met erop te wijzen dat de artikelen in 

‘Het Anker’ niet gericht waren tot de inferieuren om hen tot insubordinatie aan te zetten, maar tot de superieuren om de wetsregels te handhaven. En hij besloot met de woorden: ‘Wanneer dit niet in het algemeen belang handelen is, weet ik het niet meer!’ Verstegen werd ook in hoger beroep vrijgesproken. Inmiddels was hij een jaar eerder als eerste sociaal democraat tot raadslid verkozen. Al snel had hij zitting in de commissie voor de werklozenverzekering. Hij bleek een goed debater en een bekwaam organisator. Gedurende de Eerste Wereldoorlog (1914-’18) was hij directeur van de levensmiddelenvoorziening (distributie). 

Wethouder 

In 1917 werd hij wethouder van Bedrijven en Sociale aangelegenheden. Gedurende de oorlogsjaren stagneerde de bouw van woningen als gevolg van gebrek aan materiaal en mankracht. Dit had spanningen op de woningmarkt tot gevolg. 

  

Den Helder 1920 

Uit ingezonden stukken in de Helderse krant van die jaren blijkt dat Verstegen herhaaldelijk een lans brak voor betere toepassing van de toenmalige woonruimtewet. Het komt herhaaldelijk voor, zo schreef hij, dat onderofficieren van de marine kans zagen beslag te leggen op goedkopere woningen. Daardoor waren minderen genoodzaakt voor hen veel te dure (huur)woningen te betrekken. Verstegen ging zelfs zo ver in een adres aan de raad te verzoeken om goedkopere woningen voor het mindere personeel te reserveren. Het hogere personeel werd zo gedwongen duurdere woningen te betrekken. Verstegen had slechts economische motieven. Maar hij kwam zo toch wel erg dicht in de buurt van de statusgedachte der marineleiding: een woonwijk voor officieren, voor onderofficieren, enzovoort. 

Burgemeester 

De rasbestuurder Verstegen, oprichter van de plaatselijke S.D.A.P., de zangvereniging ‘Kunst aan het Volk’, de transportarbeiderbond, bestuurslid van de coöperatieve verbruikersvereniging en nog zo het een en ander werd in 1929 burgemeester van Koog a/d Zaan. Ook daar deed hij ’t goed. Vooral voor de Volkshuisvesting aldaar heeft hij veel betekend. Helaas ging zijn gezondheid na 1934 snel achteruit. Bij zijn vertrek uit Koog aan de Zaan in 1935 was hij zo verzwakt dat zijn afscheidswoorden door een ander moesten worden voorgelezen. Hij ging terug naar Nieuwediep, waar hij een jaar later overleed (9 augustus 1936) en begraven werd op de Algemene begraafplaats. Kort na de begrafenis werd besloten tot een grafmonument. Het geld werd ingezameld door Dirk van der Mast, secretaris van de plaatselijke S.D.A.P. Over het gedenkteken schrijft de Helderse courant van 1 mei 1937 onder meer: “Het gedenkteken is geworden een massale zuil van baksteen, hetzelfde materiaal dus, waaruit het Helden der Zee-monument vervaardigd is. Aan weerszijden van genoemde zuil ziet men een tweetal ‘armpjes’ en het geheel is geworden een getuigenis van de grote ontvankelijkheid van Verstegen, een sprekende symboliek van zijn menschenliefde. De kop van het monument van Beiers graniet met erop aangetekend de beide jaartallen: 1870-1936. Dicht bij het voetstuk bevindt zich wederom een gedeelte graniet ingemetseld en daarop leest men: ‘A.G.A. Verstegen zijn vrienden en strijdmakkers’. Tenslotte werd op den linker flank (indien men rekent ervóór te staan) het Zaansche wapen aangebracht en op den rechter het Heldersche.” 

Grafmonument voor A.G.A. Verstegen 

Dit verhaal over A.G.A. Verstegen komt uit het boekje: Bijzondere zerken. De tekst is geplaatst met de originele opmaak en met de originele foto’s uit het boekje. De boekjes zijn gepubliceerd in de periode van 2001 t/m 2006.

Uitleg route

Locatie

Bekijk hier de locatie van dit grafteken op de kaart. 

Bekijk ook andere verhalen uit dit thema

Mr. K.J.C. Stakman Bosse staat bekend als een van de meest invloedrijke burgemeesters van Den Helder tijdens de bloeiperiode van de stad. Hij was burgemeester van juli 1853 tot aan zijn overlijden in juni 1888.
Het grafmonument van de 'Frans Naerebout' eert de bemanningsleden van Hr.Ms.mijnenveger die op 2 mei 1918 op een mijn liep en zonk. Negen van de opvarenden werden gered, tien verloren hun leven bij dit tragische
Het Marinemonument van Gobius en zijn manschappen staat als een eerbetoon aan de nagedachtenis van luitenant ter zee 1e klasse Gobius en zijn zes mede-manschappen, die op tragische wijze omkwamen door het springen van een