Verhalen
Algemene
begraafplaats

Historisch verhaal

Jan Castricum

Jan Klaaszoon Castricum (1713-1775) was een beroemd commandeur in de Nederlandse walvisvaart. De carrière van Jan Klaasz. in de walvisvaart bracht niet alleen fortuin, maar ook landbezit in de naburige Zijpe (polder Pen PY) in 1766. Als doopsgezinde commandeur, bekend als Kasterkom of Kasterkum, bekleedde hij samen met andere mannen uit Huisduinen een prominente positie op de arctische schepen. Zijn laatste reis was in 1775, een moeilijk walvisjaar, en eindigde met slechts tien vaten spek aan boord. Kort na deze reis overleed hij. De grafsteen, met een gevleugelde zandloper boven een doodshoofd en gekruiste doodsbeenderen, getuigt mogelijk van een onverwacht overlijden na deze reis. Denk je nu aldoor: ‘deze naam komt mij bekend voor, is er niet een straat naar hem vernoemd?’ Nou dat is niet het geval, maar de Klaas Castricumstraat is wel vernoemd naar de zoon van Jan, die overigens naast hem begraven ligt. Jack Ambriola vertelt.

Jan Klaasz. Castricum (1713-1775): commandeur ter walvisvaart

Jan Klaasz./ Castricum/ is in den Heer/ Gerust/ den 9 september/ in ‘t jaar 1775/ Oud zijnde 62 Jaar/ 2 Maanden/ en 18 dagen (F-r-4). 

 

Kort na zijn laatste Groenlandse reis op ‘De Jonge Jan’ van de Amsterdamse rederij Jan Neel & zn. stierf de Helderse commandeur Jan Klaasz. Castricum (alias Kasterkom respectievelijk Kasterkum) en werd begraven te Huisduinen. Een grafsteen die de eeuwen zou trotseren kon er wel af, want er werd goed verdiend in de walvisvaart. Althans, door de officieren. Terwijl de lagere bemanning een vast maandgeld ontving van circa 20 gulden voeren de commandeur (kapitein) en de overige officieren (stuurlui, speksnijders en harpoeniers) ‘op part’. Behalve een vast bedrag van ongeveer 150 gulden bij het uitvaren, ontving de commandeur zo’n 20 gulden per gevangen walvis en 20-25 stuivers voor elk daarvan afkomstig kwartvat (om en nabij 230 liter) traan. De stuurman kreeg 50-60 gulden ‘op hand’ en 16-17 stuivers voor elk kwartvat; de harpoeniers 50-55 gulden en 14-15 stuivers, en de speksnijders 5 gulden per gevangen walvis. Ter vergelijking: een landarbeider verdiende in die tijd, als hij werk had, vijftien stuivers per dag. Vandaar ook dat Jan Klaasz. Castricum na een aantal succesvolle reizen al in 1766 land kon kopen in de naburige Zijpe (polder Pen PY). 

 

Afbeelding met tekst, gebouw, begraafplaats, graf Automatisch gegenereerde beschrijving 

De grafsteen van commandeur Jan Klaasz.Kastricum( 1713-1775) 

 

Afbeelding met tekening, schip, transport, schets Automatisch gegenereerde beschrijving 

Seylen in ’t Ys en soeken na de walvis’ ( 18de eeuwse gravure van A. van der Laan) 

 

Vooraanstaand 

 

In de 18e eeuw namen de schepelingen uit Huisduinen/Den Helder een zeer vooraanstaande plaats in op de schepen naar de arctische wateren en hoewel harde bewijzen ontbreken omdat de gegevens uit die tijd verloren zijn gegaan, is het ondenkbaar dat het in de 17e eeuw anders is geweest. 

 

De Marsdiepdorpen Huisduinen en Den Helder leverden gedurende de gehele 18e eeuw een derde tot de helft van het totaal aantal commandeurs van onze arctische vloot. In de veertiger jaren kwamen meer dan vijftig (in 1746 zelfs 58!) commandeurs uit Den Helder/Huisduinen. De bemanning, veelal 40-45 koppen, bestond voor het grootste gedeelte uit schepelingen van elders, met name van de Duitse Waddeneilanden, maar de stuurlui, speksnijders, harpoeniers en kajuitjongens waren toch meestal ‘eigen mensen’. Dit had tot gevolg dat er elk zomerseizoen gemiddeld zo’n vierhonderd man uit Huisduinen/Den Helder koers zetten naar de arctische wateren. 

 

Wanneer we bedenken dat er in die tijd in Huisduinen/Den Helder niet meer dan circa 2500 mensen woonden, betekent dit dus dat ruim de helft van de werkende mannelijke bevolking (boven de 12 jaar) ter walvisvaart voer. 

 

De mannen aan het Marsdiep hadden hun broodwinning niet alleen in de kustvisserij en het loodswezen, maar vooral ook als vletterman. In dit beroep werd alle mogelijke assistentie verleend aan binnenkomende en uitgaande schepen op een van de belangrijkste vaarwateren ter wereld, het zeegat van Texel. Juist de bekwaamheid om met de sloep te kunnen navigeren was in het walvisbedrijf onontbeerlijk. De eigenlijke jacht op de walvissen werd namelijk vanuit kleine vangstsloepen gedaan. Het achtervolgen van de walvis, het manoeuvreren langs het ijs en vanuit de juiste positie en op het goede moment de dodelijke harpoen werpen: alles vereiste veel zeemanschap en dat had het volk aan het Marsdiep. 

 

Speculatief 

 

De walvisvaart was hard, gevaarlijk en wisselvallig. De prijzen van traan en balein, maar nog meer van de vangsten, wisselden enorm. In 1767 was de totale vangst 179 walvissen, in 1769 maar liefst 1131. Gemiddeld 1,1 respectievelijk 7,4 per schip. De in 1767 gevangen dieren leverden gemiddeld 42,6 vaten spek op, die in 1769 slechts 22,7. 

Doorgaans waren de walvissen in Straat Davis ten westen van Groenland het grootst. Men ving daar echter minder. De bekwaamheid van de walvisvaarders speelde zeker een rol, maar geluk evenzeer. 

 

Jan Klaasz. Castricum voer zowel op Groenland (1745, 1748-’51, 1755-’75) als op Straat Davis (1747, 1752-’54). Voor Groenland lag de uitzeilperiode, al naargelang de weersomstandigheden, meestal in april. Het vertrek naar Straat Davis lag, vanwege de grotere afstand, meestal drie à vier weken eerder, soms zelfs al in februari. Slechte weersomstandigheden of ijsgang op de Zuiderzee verlaatte de uitzeilmogelijkheden vanaf het Marsdiep soms zodanig, dat eigenlijk voor Straat Davis bestemde schepen noodgedwongen koers naar Groenland zetten. Na een korte bloeiperiode waarbij het aantal Straatvaarders van 29 in 1719 gestegen was tot 137 in 1732 keerden de meesten terug naar de wateren beoosten Groenland: de reis naar Straat Davis was te ver en daardoor te duur en riskant. 

 

Afbeelding met schets, tekst, tekening, verven Automatisch gegenereerde beschrijving 

Het in het ijs verloren gaan van een walvisvaarder (gravure A. Van der Laan) 

 

Het jaar waarin Jan Klaasz. Castricum zijn laatste reis maakte, was een slecht walvisjaar. Van de totale vloot van 88 walvisvaarders kwamen er maar zes met vijftig of meer vaten spek thuis. Jan Klaasz. Castricum, overigens een bekwaam commandeur, kwam op 20 augustus 1775 met niet meer dan tien vaten spek terug. 

 

Spoedig na de thuiskomst van het schip ‘De Jonge Jan’ in Amsterdam op 9 september 1775 overleed de commandeur. Mogelijk was hij reeds op de terugreis ziek geworden en bij aankomst op de rede van Texel aan land gebracht. De gevleugelde zandloper boven een doodshoofd met twee gekruiste doodsbeenderen op de overigens eenvoudige grafsteen van deze doopsgezinde commandeur kan echter duiden op een onverwacht overlijden. Hoe het ook zij, hem was een laatste rustplaats op de Huisduiner begraafplaats gegund. Zijn zoon, Klaas Jansz. Kastricum, was eveneens commandeur. Hij kwam twee jaar later ergens op de eindeloze ijsvlakten voor de kust van Groenland om het leven en heeft nooit een plek op enig kerkhof gekregen. 

 

Rampjaar 1777 

 

Het schip, des Zeemans huys 

geboul van hout en ijser 

Godt die ons Stuurman is 

en Niemant is er wijzer. 

 

O Heer, wil ons verlosse 

van de Groenlandse schosse 

en breng ons dan na wense 

in Holland bij de mense. 

 

Bede in het journaal van de Groenlandvaarder ‘weltevreden’. Het schip, onder bevel van de Helderse commandeur Cornelis de Leeuw, raakte in 1776 bekneld in het ijs. 

 

Klaas Jansz. Kastricum, die met zijn schip ‘De Wisselvalligheid’ van de rederij Hottentot en Hooy te Edam op 19 april 1777 naar de arctische wateren vertrokken was, raakte in augustus met nog een aantal Groenlandvaarders muurvast in het ijs. Schip na schip werd door het ijs verbrijzeld en tenslotte had ‘De Wisselvalligheid’ 286 man aan boord, afkomstig van zes verbrijzelde schepen. Op 11 oktober begaf ook ‘De Wisselvalligheid’ het en stonden alle schepelingen op de schotsen, waar ze zich primitieve onderkomens bouwden van scheepshout en zeildoek. Na enkele dagen besloten 230 man de tocht over het ijs naar Groenland te wagen; ongeveer veertig man slaagden daar inderdaad in. Zij wisten tenslotte na veel ontberingen Frederikshaab, aan de westkust van Groenland te bereiken. 

 

Het schijnt dat Klaas Jansz. Kastricum en zijn plaatsgenoot de commandeur Jacob Hendrik Broertjes, eveneens een poging gedaan hebben naar de vaste wal te komen, maar van hen is nooit meer iets vernomen. Ook enkele schepen van reders uit Hamburg bleven dat jaar in het ijs. In totaal zijn er ruim driehonderd schepelingen omgekomen, een ramp als nooit tevoren. 

 

Deze tragische gebeurtenis was overigens geen belemmering voor de zoon van de verongelukte. Jan Klaasz. Kastricum, ook ter walvisvaart te gaan, tenslotte (van 1797 tot 1803), evenals zijn vader en grootvader, als commandeur. 

 

Jan Klaasz. Castricum, doopsgezind, geboren 22 juni 1713 te Den Helder, zoon van Klaas Pietersz. Castricum en Grietje Meyndertsd. Spijker, in 1735 gehuwd met Martjc Aarjensdochter Strop (25.1.1709-16.8.1775). Zij ligt naast haar man begraven (F-h-5). 

Dit verhaal komt uit het boekje: Oorkonden in Steen. De tekst is geplaatst met de originele opmaak en met de originele foto’s uit het boekje. De boekjes zijn gepubliceerd in de periode van 2001 t/m 2006.

Uitleg route

Locatie

Bekijk hier de locatie van dit grafteken. 

Bekijk ook andere verhalen uit dit thema

Janus (Adrianus) IJsbrand Kuiper, geboren in 1856, was een trotse schipper van de reddingvlet met een opmerkelijke achtergrond in een echte Helders familie. Zijn vader, Jan Kuiper, verloor zijn leven als sloeproeier toen Janus nog
Coen Bot, een zeeman geboren in 1882, navigeerde door de onstuimige wateren van de Noordzee als lid van de reddingsmaatschappij. Met zijn indrukwekkende staat van verdiensten, waarin 134 reddingstochten tussen 1900 en 1946 prijken en
Piet Zeeman, een voormalig gezagvoerder, wordt herinnerd als een prominente figuur in de maritieme geschiedenis van Den Helder. Hij was kapitein van het gigantische schip de Willem Barentsz, dat lange tijd werd gebruikt voor de