Verhalen
Algemene
begraafplaats

Historisch verhaal

Roelof Robijn

Roelof Robijn (1727-1781) was een vooraanstaande figuur in de maritieme geschiedenis van Den Helder en Huisduinen. Als commandeur der Oostindische Compagnie (VOC) op de rede van Texel hield hij toezicht op het laden en lossen van VOC-schepen. Robijn kwam uit een welvarende familie, met zijn vader, commandeur ter walvisvaart Robijn Rijntjes, die hem aanzienlijke rijkdom naliet. Met een vermogen van vijftigduizend gulden was Roelof Robijn een van de rijkste inwoners van Den Helder in de 18e eeuw. Ook zijn carrière als commandeur bij de VOC bracht hem, naast prestige, substantiële financiële voordelen. Dit was echter geen garantie op persoonlijke welvaart. Dat bleek wel na de financiële neergang van de VOC als gevolg van de vierde Engelse oorlog in de tweede helft van de 18e eeuw. Roelof Robijn stierf echter in september 1781, vlak vóór het hoogtepunt van de financiële crisis van de VOC. Maarten Noot vertelt.

Roelof Robijn (1727-1781): Commandeur der Oostindische Compagnie

Hier Legt Begraven/Roelof Robijn/In Zijn Leeven/Commandeur/ 
In Dienst Der/Oost Inde Compe/Ter Reede Texel/Gebooren Den/ 
30 November 1727/En Overleeden/Den 27 September/1781 
(R-n-6) 

Roelof Robijn, zoon van de commandeur ter walvisvaart Robijn Reijntjes (1688-1753), was blijkens een akte van 4 oktober 1776 tot vijftigduizend gulden gegoed. Hij was een van de rijkste inwoners van Den Helder aan het eind van de achttiende eeuw, in een tijd dat een arbeider hoogstens twintig stuivers per dag verdiende en een jaarinkomen had dat niet boven de tweehonderd gulden uitkwam. 

Ook een stuurman op een walvisvaarder was niet ontevreden als hij, na een verblijf van vier à vijf maanden in de arctische wateren, met dit bedrag thuiskwam. Alleen een succesvol commandeur verdiende meer, gemiddeld drie tot vijf keer zoveel. Toch werden ook de meeste commandeurs niet echt rijk: van de zestig commandeurs uit de achttiende eeuw van wie het testament kon worden achterhaald, was tweederde voor minder dan vierduizend gulden gegoed. Opvallend is daarbij dat het vermogen bijna altijd in direct verband staat met het totaal aantal geharpoeneerde walvissen. Cornelis Hendriksz. Baske, de succesvolste bevelhebber van de walvisvloot, met een gemiddelde vangst van bijna tien walvissen per reis en een totaalvangst van 173 walvissen, zag zijn vermogen tot twintigduizend gulden toenemen. 

Maar dat was een hoge uitzondering. Echt rijk worden deed je pas door een ‘goed’ huwelijk te doen, ‘goed’ te erven en je kapitaal te investeren in lucratieve zaken als het bergen van scheepswrakken of het doen van voordelige handelstransacties, zoals toen in het voorjaar van 1778 bij Kijkduin gestrande schip ‘De Standvastigheid’ ging bergen. 

De grafsteen van Roelof Robijn (1727-1781), commandeur Ver. Oostindische Companie

Lucratief 

Bood een reis naar West-Indië bijvoorbeeld een schipper de gelegenheid tot lucratieve privéhandel, dan moeten we ons realiseren dat dit bij de walvisvaart veel moeilijker lag. Gaf de vaart naar Straat Davis nog wel enige mogelijkheid tot ruilhandel met de Eskimo’s, de Groenlandvaart naar het jachtgebied ten oosten van Groenland gaf dat niet. En juist dit ‘oude’ jachtgebied was favoriet bij de walvisvaarders uit de Marsdiepdorpen. Lucratieve privéhandel was overigens meestal alleen mogelijk als je bereid was risico te lopen. 

Het is opvallend dat Helderse schippers vaak op de langere en gevaarvollere handelsroutes werden ingezet. Het waren blijkbaar goede zeelui. De Helderse commandeur Dirk Cornelisz. Hoogerduyn, die in 1773 zijn walvisvaarder voor Egmond verspeelde, kreeg het jaar daarop een bevelhebberspost op een koopvaarder naar Berbice, aan de noordkust van Zuid-Amerika ten westen van Suriname. De Helderse commandeur Jan Drieuwes, die in 1799 zijn laatste reis als commandeur ter walvisvaart maakte, ontving eveneens het commando over een koopvaarder naar Berbice, waarop hij nog hetzelfde jaar uitzeilde. Ook commandeurs als Cornelis Hillebrandsz. van Uyen en Jacob Jansz. Mol werden direct, zonder ‘leertijd’, bevelhebber over een koopvaarder, ja kregen voorrang boven stuurlieden die al jaren op deze route voeren. Een geslaagde commandeur kon doorgaans ook als kapitein op de koopvaardij direct aan de slag. 

 

‘Oostindisch Compagnieschip, zeylende bij de wind’ (G.Groenewegen, 1789)

Barbiesjes 

Nu is het niet zo dat de koopvaardijschippers uit de Marsdiepdorpen tot de meest welgestelden behoorden vanwege hun hoge gages, integendeel. ‘Onomstotelijk blijkt …, dat een zeemansloopbaan bij de koopvaardij, zelfs als die werd bekroond met een bevelhebberschap, zelden mogelijkheden gaf tot enige kapitaalvorming, als er geen ruime winstgevende privéhandel door de betrokkenen mogelijk was’, aldus Piet Dekker, die de financiële toestand van de bewoners langs het Marsdiep in de achttiende eeuw diepgaand heeft onderzocht. De vaart naar West-Indië was niet zonder gevaar: stormen, kapers en vooral ook tropische ziekten. De uitdrukking naar de Barbiesjes (Berbice) gaan, betekent nu nog in West-Friesland zoveel als ‘naar z’n grootje gaan’. Schepen vergingen met man en muis, en schepelingen door tropische koortsen geveld, werden in verre vreemde bodem begraven. 

Commandeur VOC 

Na een tiental jaren als koopvaardijschipper te hebben gevaren op onder meer het schip Santa Maria (122 last), Vrouwe Agatha (100 last), Doet wel en ziet niet om (150 last), werd Roelof Robijn in 1766 commandeur ter rede van Texel voor de VOC (Kamer Amsterdam).  

De Verenigde Oostindische Compagnie, die het monopolie van de handel op Oost-Indië had, was een gedecentraliseerd bedrijf. Er waren zes vestigingsplaatsen of ‘kamers’, onder meer in Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. De door deze Zuiderzeesteden uitgeruste schepen vertrokken vanaf de rede van Texel. Daar nam men goederen, proviand en vooral ook drinkwater in en kwam het grootste deel van de bemanning aan boord. Tot in de jaren dertig van de achttiende eeuw was nog ruim de helft van de zeelieden afkomstig uit de Republiek, daarna overtrof het aantal buitenlanders dat der Hollanders ruimschoots. Het overwicht van militairen uit het buitenland was altijd al aanzienlijk.  

Omstreeks 1700 schreef Nicolaas de Graaff al dat de VOC een toevluchtsoord was voor armoedzaaiers, waaronder ‘Polakken, Zweden, Denen, Noordlui, Jutten, Hamburgers, Bremers… (kortom) allerhande Moffen, Poepe, Knoeten, Hannekemaaiers en andere groenekassoepers, die ’t gras nog tussen de tanden steekt’.  

De cijfers bevestigen dit plastische beeld ook hierin, dat in toenemende mate personen uit het Duitse binnenland in dienst traden, lieden dus, die het aan elke zeilervaring ontbrak. Dit soort personeel verhoogde het risico van slecht zeemanschap; bovendien konden deze van verre gekomen, slecht geklede en gevoede paupers minder weerstand bieden aan het harde leven aan boord. Het sterftecijfer op de schepen nam in de achttiende eeuw dan ook toe. Maar het personeelstekort bleef, omdat de gages niet werden verhoogd en men genoegen nam met laaggekwalificeerd personeel. Behalve zeelui en militairen, waren er, zowel in ons land als in Azië, nog vele duizenden anderen in dienst van de VOC. In Azië vooral ambtenaren, kooplieden, schoolmeesters en dominees, in de VOC-steden in ons land vooral pakhuisknechten en ambachtslieden. Roelof Robijn was als commandeur, zoveel als vertegenwoordiger van de VOC op de rede van Texel en als zodanig belast met het toezicht op het laden en lossen van de VOC-schepen in het Marsdiep. 

Achteruitgang 

Hoewel de verkoop van Aziatische goederen door de VOC (1602-1795) in totaal ongeveer 2.5 miljard gulden heeft opgebracht, aan meer dan een miljoen werknemers, op de schepen en in Azië, lonen zijn uitbetaald en veel toeleveringsbedrijven en enige duizenden aandeelhouders vele, vele jaren enorm aan de VOC hebben verdiend, ging het in de tweede helft van de achttiende eeuw bergafwaarts. Aanvankelijk heeft men geprobeerd dit te verhullen -de winstuitkeringen bleven hoog- maar de vierde Engelse oorlog (1780-1784) bracht de genadeslag. De oorlog bracht 43.5 miljoen schade aan een totaalvermogen van zestig miljoen. Toen de VOC in 1795 tenslotte roemloos ten onder ging, was er een schuld van ruim honderd miljoen gulden. Roelof Robijn heeft hier weinig van bespeurd, omdat hij reeds in het begin van de oorlog, in september 1781, overleed. 

Roelof Robijn, gereformeerd, geboren op 30 november 1727 te Huisduinen als zoon van Robijn Reijntjes en Neeltje Roelofs, trouwde op 13 november 1756 met Neeltje Cornelisdr. Klein, dochter van de dorpssecretaris Cornelis Cornelisz. Klein en Grietje Jacobsdr. Hoogland (1730-1798). Hij overleed te Den Helder op 27 september 1781.  

Zijn grootvader, de vader van Robijn Reijntjes, was Reijntje Robijn (gehuwd in 1685 met Neeltje Swaal). Doordat Roelof vernoemd werd naar de vader van zijn moeder, Neeltje Roelofsdr., werd de voornaam Robijn, geslachtsnaam: Roelof Robijn. 

Dit verhaal komt uit het boekje: Oorkonden in steen. De tekst is geplaatst met de originele opmaak en met de originele foto’s uit het boekje. De boekjes zijn gepubliceerd in de periode van 2001 t/m 2006.

Uitleg route

Locatie

Bekijk hier de locatie van dit grafteken op de kaart. 

Bekijk ook andere verhalen uit dit thema

De grafzerk van Diewer Pieters is de op één na oudste nog aanwezige grafzerk uit de jaren 70 van de 17e eeuw en behoorde toe aan een rijke dame die een bijzonder schenking deed aan
Kersje Visser (1693-1776) staat bekend als een invloedrijke en kleurrijke figuur die als baljuw, schout en dijkgraaf opkwam voor rechtvaardigheid in Den Helder. Zijn benoeming tot baljuw en schout in 1751 markeerde het begin van
De grafsteen van Dooitse Eelkes Hinxt, kaptein op zee bij de Bataafse Republiek, is bijzonder opvallend om verschillende redenen, zoals de vorm en gravering. Maar behalve zijn unieke grafzerk zijn er nog vele andere bijzondere