Verhalen
Algemene
begraafplaats

Historisch verhaal

Jacob Giltjes

Jacob Meyertszoon Giltjes was als tonneman belast met het verplaatsen van betonning en bakens voor de veilige vaart op de Zuiderzee. Hiermee vervulde hij een cruciale rol in de navigatie van schepen. Het was een verantwoordelijke positie die nauwkeurigheid en kennis vereiste. Daarnaast was Jacob ook actief als kaagschipper, wat hem aanzienlijke welvaart bracht. Met zijn schip de “Goede Vrienden” voer hij op de Zuiderzee en voerde handelsreizen uit. Jacob Giltjes was zo een bekend figuur in de maritieme wereld en ook een gerespecteerd lid van de lokale gemeenschap. Hij overleed op 70-jarige leeftijd in 1811, achterlatend een indrukwekkende erfenis in de geschiedenis van Den Helder. Maarten Noot vertelt.

Jacob Meyertsz. Giltjes (1741-1811) Tonnelegger van Texelse Stromen

Hier ligt be/graven 
J.GiltjesSr/ln leven tonne/
Legger der Texel/sche zeegaten/ 
Echtgenoot van T.Kooter/ 
Overleden den 5 /Maart 1811/ 
in den ouderdom/van 70jaaren/10 dage 
(F-b-12) 

Hier ligt begraven J. Giltjes Sr. In leven tonnelegger der Texelse zeegaten Echtgenoot van T. Kooter Overleden den 5 Maart 1811 in den ouderdom van 70 jaren en 10 dagen 

Het Marsdiep wordt in 1303 voor het eerst als doorvaart voor schepen genoemd, (‘portum dictum Marsdyp’). Reeds in 1385 zorgt de Hanzestad Kampen voor de betonning, maar een eeuw later heeft Amsterdam de zorg voor de betonning overgenomen. Op 6 mei 1452 verwierf Amsterdam van Philips van Bourgondië het zogenaamde paalkistrechtprivilege, hetgeen inhield dat van ieder schip vuur- en paalgeld geïnd mocht worden. Amsterdam verplichtte zich daarvoor de scheepvaartroute via Marsdiep, Vlie en Zuiderzee van zeetonnen, zeebakens en vuurbakens te voorzien. 

Toen in 1572 echter de stad Enkhuizen zich als eerste voor de prins van Oranje verklaarde, verwierf deze stad als dank daarvoor het paalkistrecht. Zes jaar later koos ook Amsterdam de zijde van de prins en wilde vervolgens dat recht terug hebben. Na veel geharrewar werd overeengekomen dat Amsterdam de vuurgelden zou innen en Enkhuizen het ‘paalgeld’. Amsterdam zorgde voor de vuurbakens: stenen torens of houten bakens voorzien van ijzeren roosters om een kolenvuur op te branden. Aanvankelijk werd alleen gestookt van september tot mei, maar op 10 juli 1771 werd door de Staten bepaald dat de vuurbakens ’tot meerdere nut en veiligheid’ ook ’s zomers moesten branden. Wanneer het geïnde vuurgeld ontoereikend was voor het onderhoud van de bakens, de kolenschuren en de betaling van ‘vuurstokers’ en brandstof, werd het tekort bijgepast door het ‘Gemeene Land’. Enkhuizen inde dus het ‘paalgeld’ en zorgde voor de tonnen en de (niet verlichte) kapen. Deze kapen stonden meest op de hoeken van de zandplaten en andere ondiepten. 

 

De grafsteen van Jacob Meyertsz. Giltjes (1741-1811), tonnelegger

Blauwbaard 

De oudst bewaard gebleven informatie over de ligging van de Haaksgronden, de toegangswegen tot het Marsdiep en de verdere vaart over de Zuiderzee danken we aan de amoureuze verwikkelingen van de Engelse koning Hendrik VIII, alias ‘Blauwbaard’. Toen hij zijn tweede vrouw Anna van Kleef via Harderwijk, ‘routekaartje’ maken met de juiste vaarroute. Op dit bewaard gebleven schetskaartje uit 1536 staan twee bakens op de noordwal van Huisduinen, één aan de zeezijde bijna op de rand van het land en een meer landinwaarts. Wanneer men het Spanjaardsgat, de zuidwestelijke toegangsgeul, uitzeilend de beide bakens in elkaars verlengde zag, bevond men zich in de goede vaarroute. 

Tonneman 

Op kaarten als die van Christiaan Schrooten (1573) en Lucas Jansz. Waghenaer (1585) staat niet alleen de bebakening, maar ook de betonning aangegeven. Waghenaer geeft in zijn zo beroemd geworden atlas ‘Spieghel der Zeevaerdt’ aan dat het Spanjaardsgat en twee geulen in de Zuiderhaaks, de Slenck en de Doorley, betond zijn. Hij geeft bovendien zeer duidelijke beschrijvingen van de peilrichtingen der invalsgaten op de verschillende bakens.  

Bij vergelijking van de kaarten blijkt dat diepten en ondiepten na verloop van tijd van ligging veranderd waren. Uiteraard moesten betonningen daardoor steeds worden verplaatst en het zal duidelijk zijn dat het verleggen van de tonnen (evenals het verzetten van de bakens) een verantwoordelijk bedrijf was. Er was dan ook permanent een tonneman of tonneboeier, zoals hij ook genoemd werd, voor dit werk hier aangewezen.  

Deze functionaris werd door de stad Enkhuizen bezoldigd met zeshonderd gulden per jaar, een salaris dat ongeveer te vergelijken is met dat van de opziener van ’s Lands Werken (Abraham Wentel ontving twee gulden per dag). Hoewel dit een redelijke vergoeding was in een tijd dat een arbeider vijftien à twintig stuivers op een dag kon verdienen was het toch geen inkomen dat iemand rijk maakte.  

Jacob Giltjes, die in 1770 in plaats van zijn vader Meyert tonneman was geworden en op zijn beurt in 1809 door zijn zoon Jacob werd opgevolgd, bleek in 1779 echter al voor achtduizend gulden ‘gegoed’. Nu waren er lieden die nog rijker waren, een enkeling was zelfs goed voor twintigduizend gulden en Jan Jansz. Walig was in 1791 zelfs voor vijftigduizend gulden ‘gegoed’, maar verreweg de meeste ‘gegoeden’ in Huisduinen/Den Helder bezaten niet meer dan twee- à vierduizend gulden aan geld en goed. 

Kaagschipper 

Het kan natuurlijk zijn dat de vrouw van Jacob Giltjes, Antje Cornelisdochter Kooter, die uit een geslacht van koopvaarders stamde, veel geld had ingebracht. Waarschijnlijker is echter dat Jacob goed geld verdiend heeft als kaagschipper. In een akte van 4 november wordt Jacob Meyertsz. Giltjes als zodanig aangeduid, en kof- of kaagschipper was iemand die het vervoer van goederen, na overslag uit te diepgeladen zeeschepen, naar de verschillende steden aan de Zuiderzee verzorgde. Het was blijkbaar een goed bedrijf, want er waren meer Helderse kaagschippers die na een aantal vaarjaren voor vier- à achtduizend gulden gegoed bleken te zijn.  


De vraat van de Zuiderzee naar de Noordzee en omgekeerd door het Marsdiep aan het eind van de 15de en aan het eind van de 16de eeuw (reconstructie H. Schoorl). 

In een akte uit 1783 wordt Jacob Giltjes genoemd als schipper van het schip ‘De Goede Vrienden’, een koopvaardijschip van 42 last. Waarschijnlijk was dit het schip van de kaagschipper waarmee hij zo nu en dan ook buitengaats kwam voor een handelsreis. In elk geval is zeker dat hij ook betrokken was bij aanvoer van materialen voor het onderhoud van de dijk, want in de afrekeningen van de opzichters komt de naam van de kaagschipper Jacob Meyertsz. Giltjes regelmatig voor. 

Hij was schepen van Huysduynen en Helder van 1804 tot 1810. Zijn kleindochter Antje trouwde op 25 juni 1825 met Jan in ’t Veld, schout/burgemeester van Den Helder. 

Jacob Meyertsz. Giltjes, gereformeerd, geboren 15 februari 1741 te Den Helder, zoon van Meyert Jacobsz. Giltjes en Willempje Cornelisdr. Timmer, trouwde op 28 april 1765 te Den Helder met Antje Cornelisdochter Kooter (1742-1804), dochter van Cornelis Sijmonsz. Kooter en Aafje Jacobs Janbroer. Hij overleed op 5 maart 1811. 

Dit verhaal van Jacob Giltjes komt uit het boekje: Een eerlijk zeemansgraf. De tekst is geplaatst met de originele opmaak en met de originele foto’s uit het boekje. De boekjes zijn gepubliceerd in de periode van 2001 t/m 2006.

 

Uitleg route

Locatie

Bekijk hier de locatie van dit grafteken op de kaart. 

Bekijk ook andere verhalen uit dit thema

De grafzerk van Diewer Pieters is de op één na oudste nog aanwezige grafzerk uit de jaren 70 van de 17e eeuw en behoorde toe aan een rijke dame die een bijzonder schenking deed aan
Hoewel er veel echtgenotes van bekende achtiende eeuwse mensen op de begraafplaats liggen, speelden deze vrouwen in het openbare leven nauwelijks een rol. Dit was anders voor Marytie Muller. Als echtgenote van Jan Harge, een
De grafsteen van Dooitse Eelkes Hinxt, kaptein op zee bij de Bataafse Republiek, is bijzonder opvallend om verschillende redenen, zoals de vorm en gravering. Maar behalve zijn unieke grafzerk zijn er nog vele andere bijzondere