Verhalen
Algemene
begraafplaats

Historisch verhaal

Coen Bot

Coen Bot, een zeeman geboren in 1882, navigeerde door de onstuimige wateren van de Noordzee als lid van de reddingsmaatschappij. Met zijn indrukwekkende staat van verdiensten, waarin 134 reddingstochten tussen 1900 en 1946 prijken en hij 654 levens redde, toonde Coen Bot een ongekende toewijding aan het reddingswerk. Zijn leven was gewijd aan het redden van levens, van de dagen als roeier tot zijn benoeming als schipper van de motorreddingboot “Dorus Rijkers”. In de uitdagende periode van de Tweede Wereldoorlog bleef Coen Bot onwankelbaar in zijn missie, waarmee hij niet alleen zijn naam maar ook zijn nalatenschap als een ware reddingslegende markeerde. Maarten Noot vertelt.

Coen Bot (1882-1961): moed, zeemanschap en doorzettingsvermogen

Zo staat het op zijn staat van verdiensten bij de reddingmaatschappij. “Hij muntte uit door moed, zeemanschap en doorzettingsvermogen.” In de periode 1900-1946 maakte hij 134 reddingstochten mee, waarbij in totaal 621 mensen werden gered. Eerst als roeier, toen als schipper van de roeireddingboot (1918) en sinds 1923, als schipper van de motorreddingboot. Hij werd daarvoor onderscheiden met veertien medailles: vijf gouden, zeven zilveren en twee bronzen. 

Twaalf jaar was hij toen zijn vader Coen Bot Sr (1840-1907) hem meenam in de haringvlet. Vader had er zelfs drie en toen Coen in het eeuwwisselingjaar 1900 achttien werd, kreeg hij evenals zijn broer Dirk, een eigen haringvlet. “Hoewel ik nu eigen baas was, bleef het toch – wat het altijd blijven zou, maar dat wist ik toen nog niet – hard sjouwen en voortdurend gevaren trotseren voor weinig geld.” Aldus Coen Bot in zijn later opgetekende herinneringen. Met dat geld viel het overigens wel een beetje mee: toen hij in 1923 schipper van de motorreddingboot werd kreeg hij van de reddingmaatschappij een jaarsalaris van ƒ 1600,-, een jaar later – per 1 augustus 1924 – verhoogd tot ƒ 1820, -. Daarnaast had Coen Bot niet alleen (sterk wisselende) inkomsten uit visserij en berging van de scheepslading uit gestrande schepen, maar ook uit de verkoop van motorbrandstoffen. 

Vooral na de Eerste Wereldoorlog kwam de motorisering van de vissersvloot op gang. Coen Bot woonde dan ook zeer gunstig: op de Binnenhaven, dicht bij de Ankerparkbrug en het havenkantoor. Zelf zegt hij daarover onder meer: “Het was in die dagen zó, dat de zeelui van Den Helder (bedoeld is: Oud-Den Helder) en die van Nieuwediep (bedoeld is: Binnenhaven/Vismarkt) niet al te best met elkaar overweg konden. De oorzaak hiervan was concurrentienijd. De Heldersen zaten het dichtst aan zee, maar de Nieuwediepers hadden het havenkantoor in hun midden. Dit was een groot voordeel omdat de officiële mededelingen betreffende strandingen hier binnenkwamen. Daar stond tegenover dat de zeelui uit Den Helder de zee konden afzien en bij mistig weer signalen konden horen. En al wegen ‘zien en horen’ in dit geval niet op tegen officiële inlichtingen, het was een feit dat wanneer je iets ontdekte, je sneller ter plaatse kon zijn. Het gebeurde zelfs wel dat vissers uit Den Helder er bij mistig weer op goed geluk op uit trokken om eens poolshoogte op de Gronden te nemen: kwam er een schip in moeilijkheden, dan konden zij er zeker van zijn, dat zij er het eerst bij waren, zodat het “contract” (bergingscontract) hen niet meer kon ontgaan. Coen Bot vertelt echter ook dat zijn vader het voordeel had van een grote haringvlet in de haven in de onmiddellijke nabijheid van de sleepboot van bergingsmaatschappij Zur Mühlen (later Wijsmuller): “Men kon er haast zeker van zijn dat als de sleepboot ter assistentie naar buiten moest, hij er met zijn vlet achter zat. Het duurde niet lang of ik was ook van de partij. En zo heb ik dus, bij wijze van spreken, aan vaders hand het reddingwerk geleerd…” 

De eerste reis die Coen Bot Jr. meemaakte als roeier in de reddingboot van Dorus Rijkers was een clandestiene. Het was bovendien een misse reis. Het was 20 november 1901 toen er een grote Britse katoenboot, het stoomschip “Domingo de Lavinage” (kapt. H. Hudson) was vastgelopen en om hulp seinde. “Wij zaten warm en veilig in het “Leger des Heils” aan de Spoorgracht toen er plotseling geschreeuwd werd: “Schip in nood!”. Ik rende naar het Ankerpark en daar was men inderdaad al bezig de reddingboot naar buiten te brengen. Een inwendige stem zei: de grote kans van je leven… 

Hij kwam als eerste aan bij de reddingboot, schoot snel een oliejas aan en verstopte zich in de boot. 

Bijna was alles nog misgelopen toen men mij tenslotte ontdekte, als mijn vader niet tussenbeide was gekomen. Hij stelde voor zelf thuis te blijven en mij in zijn plaats te laten gaan. Misschien kwam het doordat de tijd drong en ‘Opa’ stemde grommend toe en ik nam de plaats van vader in… Op de achterste roeibank, de doft zoals wij zeiden.” 

En daar gingen ze, achter de sleepboot aan. Het was zo donker dat ze de sleepboot echter niet konden zien. Bovendien goot het van de regen en was de zee zeer onstuimig. 

Coen Bot

Coen Bot nam als roeier deel aan de redding van de bemanning van de “Serbia” (1906) in een vlet onder leiding van zijn vader. In de reddingboot onder schipper Dorus Rijkers maakte hij de reddingtochten mee naar de “Volta” (1908), de “Roma” (1908) en de “Elfrieda” (1911). Voor de “Roma” ontving hij zijn eerste (bronzen) medaille. Met schipper Jan Bijl voer hij daarna naar de “City of Cologne” (1911), de loggers “KW-57, Susanna” en “Anna” in het najaar van 1917 en naar de zeetjalk “Normaliteit” in het vroege voorjaar van het laatste oorlogsjaar 1918. Nadat Coen Bot Jr., inmiddels getrouwd in 1911 met Jannetje Graaff (1880-1944) en vader geworden van twee zoons, te weten Coenraad (1912) en Pieter Wilhelm (1914), per 1 juli 1918 benoemd was als schipper van de roeireddingboot, volgde een jaar van allerlei “klein werk”: de “Veritas”, “Scheveningen 68”, “Neptun II”, “Mannheim” en “IJmuiden 44” in 1919. In de jaren 1920 en 1921 voer de reddingboot helemáál niet uit. 

De “Veritas” was een sleepboot van de Marine, die op 29 januari 1919 op weg van Terschelling naar Nieuwediep ’s avonds om zeven uur bij noordoostenwind (windkracht 7) en hevige sneeuwval strandde op de Zuidwal. (Waddenzee ten oosten van Den Helder) 

Gesleept door een motorbarkas van H.M. Wachtschip wist Coen Bot en zijn roei- ers J. Riedeman, J. de Jong, H. van Dok, J. van Dok, D. Bot, J. Kuiper, P. Bijl, E. Pouw en H. Bijl de zes aan boord zijnde mensen van de sleepboot af te krijgen en veilig in Nieuwediep te brengen. 

In de nacht van 22 op 23 september van hetzelfde jaar verging bij stormachtige wind uit het zuidwesten (windkracht 6-7) en “dikke regen” de “Sch-68 Anna” onder kapitein Johannes van der Zwan. De bemanning (zes man) werd gered. Behalve de reddingvlet onder Piet Bontes was ook de reddingboot eropaf gegaan: Coen Bot als schipper en als roeiers J. Bakker, J. Waterman, F. Kwast, J. Veenstra, M.v.d. Hert, J. Souwer, F. Zwart, J. van Dok, G. Oostendorp en H. Nebbeling. 

Ook bij de stranding van de met veevoeder geladen Finse motorschoener “Neptun II” op de Razende Bol enkele weken later (20 november 1919), waar zowel de reddingboot als de reddingvlet achter de sleepboot “Drente” op af gegaan was, zaten veel “losse roeiers” in de boten. In het strandingrapport (12 uur v.m., WNW tot kracht 7, regen en hagelbuien) staat voor de reddingboot C. Bot (schipper), M. v.d. Hert, J. Veenstra, J. van Dok, overigen losse roeiers. Voor de vlet staat slechts C.Bontes (tijdelijk-schipper), overigen losse roeiers. De schipbreukelingen, acht man en één vrouw, waren overigens al van boord gehaald door de reddingvlet van de firma Wijsmuller, die door de sleepboot “Hector” was meegenomen. In de Helderse Courant van 20 november 1919 wordt een levendige beschrijving van de redding gegeven, maar geen woord over het vergeefse werk van reddingboot en reddingvlet. 

De laatste reddingstochten van de redders aan de riemen 

“In de nacht van Dinsdag op Woensdag omstreeks twaalf uur kwam bericht van Huisduinen, dat in de richting van het Westgat een lichtsein was opgemerkt. De reddingboot van de N.Z.H.R.M. werd terstond in gereedheid gebracht. Wegens het ruwe weer kostte het schipper C. Bot zeer veel moeite om de bemanning bijeen te brengen. Om 1 uur voer men uit met J. Riedeman, P. de Jong, F. Kwast, A. Jonkman, A. Arend, J. Veenstra, M.v. ’t Hert, K. Gieling, J. van Dok, A. Sieuwertsen en C. Bot schipper. 

Op de plaats aangekomen, vanwaar de lichtseinen waren opgemerkt, vond men de “Mannheim”, die bereids achter haar anker lag in vlot water. Langszij komend was de eerste begroeting van de gezagvoerder dat hij niets met de reddingboot te maken wilde hebben. Niemand van hun mocht aan boord komen en er mocht geen lijn worden vastgemaakt. Er zat dus niets anders op dan terug te gaan. De gezagvoerder, die een loods had gevraagd, weigerde ook deze te ontvangen, toen deze bij het aanbreken van de dag aankwam. 

Een buitengewoon hondse ontvangst, die gelukkig zelden voorkomt. Geen wonder dan ook dat de mannen die aangezocht worden in de reddingboot plaats te nemen, daar niet erg op gesteld waren” (Helderse Courant, 4 december 1919). 

Coen Bot maakte overigens geen woord vuil aan de hele affaire. Ook niet aan de stranding van de “Pleyaden” (IJm-44), een stoomtrawler (schipper T. Groen), die bij mistig weer en windkracht 3 uit het noordwesten door “zorgeloosheid van den schipper” naar het oordeel van de Raad voor de Scheepvaart op de Haaksgronden vastliep. De reddingboot ging eropaf, bij gebrek aan sleepboten erheen gesleept door de motorschokker HD-47. Gebrek aan roeiers was er ook: C. Bot, bootsman, roeiers J. Riedeman, J. van Dok, H. van Yg, K. Bijl naast zes losse roeiers, staat in het strandingsrapport. 

Voor Coen Bot begon blijkens zijn te boek gestelde memoires het ware werk pas bij de stranding van de “Alford”, een klein houten vrachtscheepje dat op 19 september 1922 bij zuidwesterstorm op de Zuiderhaaks verzeilde. Doordat de sleepboot buitengaats was, vertrokken zij naar buiten gesleept door een torpedoboot van de Marine. Coen Bot als schipper, Janus Kuiper, J. Bijl, K. Bijl, G. Oostendorp, T. de Bruin, J. Steeman, P.C. Kooger, Willem Bakker, H. Post en J. de Ruiter aan de riemen. 

“De zee was erg ruw, maar de mensen aan boord van het scheepje hadden zeer dringend hulp nodig. Ik moest onmiddellijk uitvaren. Het was eb en er stond een felle westenwind. Nauwelijks buiten de haven kwamen wij reeds in hoge zeeën, terwijl de slagregens op ons neerzwiepten.” Aldus Coen Bot en hij vervolgt: “Voorbij Kaaphoofd kregen we de schoener in zicht en het leed geen twijfel of het ging daar aan boord op leven en dood. Bij de Zuidergronden kwamen wij de sleepboot “Cycloop” tegen en de bemanning brulde ons toe, dat zij één der opvarenden, die op een omgekeerde sloep had rondgedreven aan boord hadden genomen en dat er nog twee man in de mast van de schoener zaten. Toen wij een kwartier later bij het gestrande scheepje kwamen, bleek het reed een wrak te zijn. Alleen de mast, met de kapotgeslagen zeilen, stak nog boven water uit. Uiteindelijk slaagde de kapitein van de “Alford” erin een lijn te grijpen. Hij bond eerst de vijftienjarige jongen vast, maar zag toen geen kans meer om zichzelf ook aan de lijn te binden. De jongen durfde echter niet te springen, zodat ze hem met geweld uit de mast moesten sjorren. Hij kwam goed terecht in het water en kon in de boot worden getrokken. Na eindeloos vergeefs proberen slaagde de kapitein er tenslotte in nogmaals een lijn te grijpen waarmee hij zich vastbond en vervolgens in zee sprong… Juist op tijd, want tien minuten later begaf de mast het. Teneinde de geheel verkleumde en doorweekte jongen enigszins te verwarmen trokken enkele redders wat kleren uit. “Een van mijn roeiers die zich halfnaakt had uitgekleed, heeft deze tocht niet lang overleefd: hij kreeg longontsteking en stierf kort daarop.” 

De motorreddingboot Dorus Rijkers (1923) 

Op 17 juli 1923 had Den Helder z’n eerste motorreddingboot, genoemd naar de Koning der Helderse zeeredders “Dorus Rijkers”. 

Op de eerste reddingtocht van de “Dorus Rijkers” naar het Italiaanse stoomschip “Koefia”, gestrand op de Eierlandse gronden op 30 augustus 1923, ging schipper Coen Bot overigens niet mee: “Ik liet verstek gaan omdat ik mijn vrouw naar het ziekenhuis in Amsterdam moest brengen,” zegt Coen Bot zelf. Hij was met vakantie, schreef Levy Grunwald in zijn Egnerboekje getiteld: “De eerste tocht van de “Dorus Rijkers”. Maar Levy sloeg de plank wel vaker mis. Zo schreef hij ook dat het bemanningslid Theodorus Hendrikus Pompert (1891-1928), de enige jaren later zo tragisch op zee gebleven trawlerschipper, als plaatsvervangend schipper optrad. Maar volgens de officiële bronnen, zoals de “Reddingboot” no. 23 trad motordrijver R. Eelman als plaatsvervangend schipper op en voer Dorus Pompert, evenals D. Bot, J.A. Oostendorp, W. de Boer, D. Pompert en W. Muller (de “Kromme”) mee als bemanningslid. Het was een helse tocht bij windkracht 10 en de boot raakte aardig beschadigd. Maar de complete bemanning (32 man) werd veilig thuisgebracht in de haven van Nieuwediep. En dáár ging het tenslotte om. Het roeitijdperk echter was voorgoed voorbij. 


Schipper Coen Bot op de motorreddingsboot “Dorus Rijkers” 

Smokkelschip 

Het Franse stoomschip “Perdreau” dat op 12 november 1926 bij dichte mist op de Noorderhaaks strandde en waarvan de bemanning met veel moeite gered werd, bleek een smokkelschip. Onder de briketten waarmee het schip geladen was zat een groot aantal vaten whisky en cognac, die toen het schip kapot geslagen was kalmpjes op het strand aanspoelden. Dat er veel van bij de strandvonderij is aangebracht geloof ik niet. Aldus Coen Bot. 

Vliegende storm 

Een van zwaarste schipbreuken uit die jaren was die van het Engelse stoomschip “Shonga”, dat op 17 februari 1928 bij vliegende storm strandde bij IJmuiden. Het schip brak doormidden en daar het reddingstation IJmuiden nog niet over een motorreddingboot beschikte ging de “Dorus Rijkers” eropaf. Het redden van de drieëndertig schipbreukelingen bleek een gigantisch karwei, maar het lukte. Terug in Den Helder zei Admiraal Quant, aldus Coen Bot, dat de Marine zeer met ons had meegeleefd. Hij noemde het werk dat wij verricht hadden, een knap stukje zeemanskunst. 


S.S. “Eugenia” op de dijk in de winter 1928-1929. 

Eugenia 

In het najaar van 1928 waren de stormen haast niet van de lucht. Toen de reddingboot op 23 november bij zware westerstorm er uit ging omdat een groot Grieks stoomschip op de Noorderhaaks in nood verkeerde, kwam het schip, dat over de gronden was heengeslagen, hen met een noodgang tegemoet en voer recht op de Helderse Zeedijk af. ‘Toen geschiedde een wonder. Als het ware met een sprong vloog het schip boven op de dijk’. En is de “Eugenia” de hele (strenge) winter blijven liggen. Een grote bezienswaardigheid op de dijk ter hoogte van Oostbatterij. 

Scheepsradio 

Het gebruik van een motorreddingboot was een enorme verbetering op de roeireddingboot. Toen tien jaar later de radio aan boord kwam kon schipper Bot z’n geluk niet op. Ook als het zicht zeer slecht was kon hij op aanwijzingen via de radio recht op zijn doel afgaan. En als je daar aankwam kon het gebeuren dat je teruggestuurd werd, omdat de kapitein van een dergelijk schip de noodzaak van redding niet inzag. Of je komt tot de ontdekking dat de bemanning geen noodseinen uitzendt, omdat iedereen stomdronken was. Dronken mensen bij stormweer van boord halen is geen kleinigheid, zij doen precies wat ze niet moeten doen. Dat ervoer Coen Bot o.a. op 24 december 1935 toen een schip op de Noorderhaaks was gestrand. De (dronken) bemanning had hij na veel vijven en zessen aan boord, maar de kapitein verdween in de stuurhut. Pas toen hij merkte dat het grootste deel van zijn schip al onderwater verdwenen was, nam hij een sprong en kwakte zo hard op het dek van de reddingboot, dat hij weer aardig opknapte.… 

De Tweede Wereldoorlog (1940-’45) was voor de bemanning van de reddingboot een zeer zware tijd. Reeds in de ‘aanloopperiode’ kreeg men te maken met schepen die op een mijn gelopen waren of uit een ‘mijnenveld’ gered moesten worden. Het naar de wal brengen van zwaargewonden van het oorlogsschip “Johan Maurits van Nassau” dat voor de kust door Duitse vliegtuigen tot zinken was gebracht werd, was een eerste afschuwelijke oorlogservaring. Maar er was meer! “Voortdurend hadden wij te lijden van de bombardementen en natuurlijk moesten wij voor elk vliegtuig dat boven zee neergeschoten werd, uitvaren. De piloten vonden we meestal dood onder hun toestel op de Wadden liggen. Dat was gruwelijk, temeer omdat we eerst het vliegtuig uit elkaar moesten slopen om de lijken te kunnen bergen…” aldus Coen Bot. 

Toch verrichtte Coen Bot, zijn stuurman Piet Bot en motordrijver Reijer Eelman alleen in het eerste oorlogsjaar een aantal reddingen waarbij 146 mensen in veiligheid gebracht werden. Daarbij werden ze soms uit de lucht beschoten. Dan kon het gebeuren dat ze ondanks donkerte niet met licht op durfden varen, waardoor zelfs deze ervaren zeelui de weg kwijtraakten wat vanwege de overal aanwezige zeemijnen levensgevaarlijk was. 

Pijnlijk werd het toen de Duitsers (in december 1941) meenden Coen Bot c.s. te moeten onderscheiden. Weigering was moeilijk. Een foto in de krant van de plechtigheid in Den Haag, zette veel kwaad bloed bij het publiek. In april 1943 werd Coen Bot door de bezetters gearresteerd en naar Scheveningen overgebracht op beschuldiging van spionage (over de ligging der mijnenvelden) voor de vijand. Na enige maanden werd hij vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.  


Op 4 oktober 1943 ging hij er weer uit toen een schip gestrand was in het Molengat. Na enkele rustige maanden volgde de redding van de bemanning van het Duitse stoomschip “Aquila” dat op 7 februari 1944 gestrand was op de gronden van de Zuiderhaaks. Op 1 maart 1944 liep het S.S.”Maasburg” op een mijn en liep vast op de Keizersbult (Noorderhaaks). Terwijl de reddingboot juist terug voer naar de haven met de geredde bemanning werd het schip door de Engelsen gebombardeerd in raakte in brand. Daarna is Coen Bot naar eigen zeggen nog een paar maal uitgevaren met zijn trouwe “Dorus Rijkers”. Maar het was niet meer zoals vroeger en tenslotte heb ik dan ook het stuur uit handen moeten geven. Mijn enige troost was, dat ik het overgaf aan mijn zoon. De leeftijdsgrens had ik toen reeds overschreden, maar het was mijn vurige wens geweest tot het einde van de oorlog op mijn post te blijven. En dit heb ook gedaan, zo goed en kwaad als het op laatst nog ging. 

Naar eigen zeggen heeft Coen Bot in 141 reizen in totaal 654 mensen gered: waaronder 239 Nederlanders, 79 Engelsen, 40 Duitsers, 80 Zweden, 24 Italianen, 30 Denen en 12 Fransen. 

 

Schipper Coen Bot met zijn zoon Piet Bot (stuurman) en Reyer Eelman (motordrijver). De vaste bemanning van de mrb. “Dorus Rijkers”. 

Dit verhaal komt uit het boekje: Een eerlijk zeemansgraf. De tekst is geplaatst met de originele opmaak en met de originele foto’s uit het boekje. De boekjes zijn gepubliceerd in de periode van 2001 t/m 2006.

Uitleg route

Locatie

Bekijk hier de locatie van dit grafteken. 

Bekijk ook andere verhalen uit dit thema

Jan Klaaszoon Castricum (1713-1775) was een beroemd commandeur in de Nederlandse walvisvaart. De carrière van Jan Klaasz. in de walvisvaart bracht niet alleen fortuin, maar ook landbezit in de naburige Zijpe (polder Pen PY) in
Één van de beroemdste mensen op de begraafplaats was de zeeredder Dorus Rijkers (1847-1928). In 1926 was hij de populairste man van Nederland. Absoluut beroemd en de nationale held van zijn tijd en van Den
Piet Zeeman, een voormalig gezagvoerder, wordt herinnerd als een prominente figuur in de maritieme geschiedenis van Den Helder. Hij was kapitein van het gigantische schip de Willem Barentsz, dat lange tijd werd gebruikt voor de