Verhalen
Algemene
begraafplaats

Historisch verhaal

Cornelis Dito

We nemen je mee naar zijn zeemansgraf: Cornelis Dito, de held die in stormgevaar met een touw om zijn middel de zee in zwom om een schip in nood voor de kust in veiligheid te brengen. Zijn reddingswerk bleef zeker niet onopgemerkt. Op 12 januari 1852 voerde Cornelis Dito een heldendaad uit door zwemmend een lijn over te brengen naar het gestrande schip Gezina Jantina. Als blijk van “goedkeuring en tevredenheid” gaf koning Willem III hem in daarop een gouden medaille en beloning van 100 gulden. Zijn overlijden in 1886, na een periode van ‘langdurig doch geduldig lijden’, werd geëerd met een monumentje op zijn graf. En natuurlijk is in Den Helder de Cornelis Ditostraat naar hem vernoemd. Maarten Noot vertelt.

Cornelis Dito (1830-1886) “een held in stormgevaar”

De van Texel afkomstige Cornelis Dito behoorde met zijn generatiegenoten Martinus van der Ham (1795-1862) en Klaas Duit (1820-1891) tot de ‘onverschrokken mensenvrienden’, die met een touw om hun middel door de branding zwemmend probeerden een verbinding tot stand te brengen met het schip-in- nood vóór de kust. ‘Wie is die jongeling, die zich daar in de onstuimige zee werpt en zwemmend de branding trotseert, ten einde, zo mogelijk, op die wijze gemeenschap tusschen het gestrande vaartuig en den wal daar te stellen? Het is Cornelis Dito, die ofschoon slechts negentien jaren tellend, moed genoeg bezit om het stoute waagstuk te ondernemen …’  Aldus de Helderse schoolmeester Dirk Dekker (1). Hij beschrijft in lyrische volzinnen hoe Cornelis Dito er in slaagt om, na drie vruchteloze pogingen van de Huisduiner reddingboot om door de branding te komen, zwemmend een lijn over te brengen naar het ‘nabij Kijkduin’ gestrande schip “Gezina Jantina” op 12 januari 1852.


Deze heldendaad sprak wel aan. Het Weekblad van Den Helder en het Nieuwediep van 8 maart 1852 vermeldt: ‘Zijne Majesteit de Koning heeft aan Cornelis Dito, wonende in deze Gemeente, een blijk van goedkeuring en tevredenheid toegekend wegens de redding der equipage van het in Januari jl. nabij Huisduinen gestrande kofschip Gezina Jantina, met veel levensgevaar, een gouden medaille, benevens een gratificatie van ƒ 100,-.’ Dezelfde krant meldde op 31 mei van dat jaar: ‘Door tusschenkomst van Gemeentebestuur is vanwege het College Zeemanshoop te Amsterdam aan Cornelis Dito alhier, eene fraaie zilveren tabaksdoos met toepasselijk opschrift uitgereikt, ter zake van edelmoedig gedrag bij het redden van schipbreukelingen.’


Cornelis Dito

Tenslotte kreeg onze held, hoewel de ‘edelmoedige daad’ niet met de reddingboot was volbracht, eveneens een zilveren medaille van de reddingmaatschappij. 

Géén beloning 

Overigens verliep het lang niet altijd zo goedgunstig. De redding van een Urker visser en zijn knecht door Cornelis Dito en drie van zijn makkers op 17 maart 1862 bleef zonder beloning. Nou ja, ‘de redders vonden de beloning van hunne daad zoo vol zelfopoffering in de goedkeuring en toejuiching der menigte’. Aldus bovenmeester Dirk Dekker. Ook een, overigens vergeefse, poging een lijnverbinding tot stand te brengen met een gestrande Engelse visschuit een half jaar daarvoor bleef zonder beloning. Dat hij een uitstekend zwemmer was kon niet iedere Helderse vletterman hem nazeggen. Toen Dito samen met een paar collega’s in de zomer van 1865 in zijn vlet voor Petten voer en door een windhoos overvallen werd, zag hij kans zwemmend de kust te bereiken. Jan Kuiper, de vader van de later zo bekend geworden schipper van de reddingvlet Janus Kuiper, die eveneens zwemmend aan wal probeerde te komen, verdronk echter. De twee andere vletterlui, Izaäk van ’t Hert en Jan Smeets, die in de vlet gebleven waren, konden door de door Dito gealarmeerde Pettemers worden gered. 

Cornelis Dito mocht dan een uitstekende zwemmer zijn en een moedig redder, de reddingmaatschappij benoemde in 1859 Klaas Duit tot schipper van de reddingboot van Huisduinen en vijf jaar later Jan Koningstein tot die in Nieuwediep. Misschien wilde Dito ook wel niet en ging hij liever met eigen vlet erop uit ‘niet alleen uit beginselen van menslievendheid, maar als bron van bestaan’. Want alle jubelverhalen van schoolmeesters en journalisten ten spijt, er moest wel brood op de plank komen. En dat was niet altijd eenvoudig. 

Sloeperlieden 

‘Twee dagen en twee nachten hebben de vier mannen reeds op zee rondgezworven zonder hun doel, iets voor hun gezin te verdienen, te bereiken. Het zijn sloeperlieden, die rondzwerven (op het water) op hoop eenig schip te zien naderen, waaraan zij, bij het binnenkomen, assistentie kunnen verlenen. ’t Weer is koud; regenvlagen hebben bij afwisseling gewoed en de kleederen die mannen doorweekt, terwijl de levensmiddelen door hen medegenomen reeds zijn opgeteerd.’ Weer is hier de onderwijzer Dirk Dekker met zijn typisch 19e eeuws gezwollen taalgebruik aan het woord, maar zijn beschrijving is waarschijnlijk wel terecht. Er moest ongelofelijk zwaar ‘gebuffeld’ worden om een ’sjouwtje’ (karweitje) te krijgen. En dat ‘assisteren’ was ook bepaald geen eenvoudig karwei; de scheepstrossen waren zwaar, de ankerkettingen zo mogelijk nog zwaarder. En boomlange ‘uithouders’ aanbrengen om het schip bij hoge vloed van de steigers te houden, was ook al een loodzware klus. Om van het lossen van de koopvaarders in de haven maar te zwijgen. ‘Hij sjouwde in de ruimen, waarin de lucht dicht was van de geuren van kaneel, peper, verfstoffen en tabak. Hij sleurde de balen weg, slingerde ze op z’n nek en bracht ze in de kraan. Baal na baal ladend op de rug, steeds dezelfde weg volgend naar de kraan, die piepend en kreunend boven hem zwaaide’. Zo typeerde Anthony van Kampen in zijn roman ’Stormnest’ het werk aan de haven. (2) Hij sprak van vroeg-oude kerels met doffe ogen, trillende vingers, ingezakte lichamen en kromme ruggen. Krom van het eeuwige sjouwen, van jicht of reumatiek. Vooral reuma kwam veel voor bij deze altijd aan het water werkende mannen. 

Monument 

Het is opvallend dat Cornelis Dito na zijn 45e levensjaar niet meer actief optreedt als ‘redder’. Openbaarden zich toen al de eerste symptomen van de slepende ziekte die hem tenslotte te gronde richt? In het overlijdensbericht van Cornelis Dito wordt gesproken van een ‘langdurig doch geduldig lijden’ (’t Vliegend Blaadje, 24 februari 1886). Door de deftige burgerij wordt geld bijeengebracht voor een monumentje op de begraafplaats om deze ‘held in stormgevaar’ te eren. 

 

Grafmonument van Cornelis Dito en zijn echtgenote Diederica van Riel. 

 

’t Monumentje is door de steenhouwer Simon ‘net en sierlijk vervaardigd uit arduinsteen’. Op de voorzijde ziet men de reddingboot uitgehouwen en daaronder de volgende inscriptie:

Hier rust in vree Door eenvoud groot
de held in stormgevaar
Zijn leven was de zee zijn boot
Bij stormgeloei en noodgeschrei, was hij daar En gaf zijn leven altijd vrij
Van zelfbehoud wijst hij niet van Dit was ’t streven van
Deez vletterman.

Op de achterzijde leest men:
Hier rust Cornelis Dito geboren 9-7-1831
overleden 19-2-1886.

Straat

De herinnering aan de eenvoudige vletterman die zich overigens wel een huis aan de Koningstraat kon permitteren, werd ook levend gehouden doordat bij raadsbesluit van 9 juni 1896 de vroegere Bosstraat in de Van Galenbuurt naar hem vernoemd werd. Na de Tweede Wereldoorlog (raadsbesluit 1.12.1948) werd een straat naar hem vernoemd in het nieuwe Oud Den Helder; de ‘oude’ Ditostraat werd toen M.H. Trompstraat. (3)

 

Dit verhaal komt uit het boekje: Een eerlijk zeemansgraf. De tekst is geplaatst met de originele opmaak en met de originele foto’s uit het boekje. De boekjes zijn gepubliceerd in de periode van 2001 t/m 2006.

Uitleg route

Locatie

Bekijk hier de locatie van dit grafteken. 

Bekijk ook andere verhalen uit dit thema

Tabbie, de Gorrel, en de Gul, onder deze bijnamen waren de drie broers, Jacob (1852-1933), Willem (1855-1941), en Cornelis (1851-1933) Bakker, bekend in heel Oud Den Helder. Ze behoorden tot de ploeg van Dorus Rijkers
Piet Zeeman, een voormalig gezagvoerder, wordt herinnerd als een prominente figuur in de maritieme geschiedenis van Den Helder. Hij was kapitein van het gigantische schip de Willem Barentsz, dat lange tijd werd gebruikt voor de
Jan van Dok (1876-1961) was drager van de bronzen en zilveren reddingsmedailles van de reddingsmaatschappij, maar zijn bekendheid in Nieuwediep reikte verder door zijn rol als voorzitter van de Vereniging Moed, Volharding en Zelfopoffering. In